Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8274.

20. De klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft geoordeeld dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet reeds vanaf 1990 full time had kunnen gaan werken en dat, nu zij dit heeft nagelaten, het voor haar rekening en risico komt dat zij thans niet meer in staat is haar inkomsten te verhogen. Daarin ligt besloten dat het Hof niet is voorbij gegaan aan de vraag of de vrouw gedurende de afbouwperiode en na afloop daarvan door arbeid in eigen levensonderhoud kan voorzien, doch heeft geoordeeld dat, ook indien zulks niet mogelijk zou zijn, dit niet in de weg staat aan beëindiging op termijn van de alimentatieverplichting. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting: de regeling van art. II lid 2 WLA impliceert immers dat enkel een terugval in inkomsten aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als gevolg van de beëindiging van de alimentatieverplichting geen grond is om een uitzondering te maken op de hoofdregel. Uit dit laatste vloeit voort dat ook het onder 1.7 aan het Hof gemaakte verwijt, dat voortbouwt op de onderhavige klacht, geen doel kan treffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dccded5b419d3846b4d0684a8cf40de4433a99b6ed7756d7fcf6403bb99f5892. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dccded5b419d3846b4d0684a8cf40de4433a99b6ed7756d7fcf6403bb99f5892, en de alinea staat in dat document op bytes 20469 tot 21613.