Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003

Alinea 106 Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8486.

Een verplichting om een bepaald goed (of een deel daarvan) als privé-vermogen te bestempelen kent de BTW naar mijn mening evenmin. (...) De BTW heeft, althans in het systeem van de Zesde richtlijn, het fenomeen van verplicht privé-vermogen ook niet nodig. Immers, de belastingplichtige die een goed naar zijn zeggen aanschaft voor bedrijfsdoeleinden, aftrek claimt en het goed vervolgens toch voor privé-doeleinden gebruikt, wordt op grond van art. 5, zesde lid dan wel 6, tweede lid, onder a, van de Zesde richtlijn in principe toch geconfronteerd met BTW-heffing. Op die manier wordt bereikt dat het goed niet belastingvrij in de consumptieve sfeer terecht komt. De Nederlandse wetgeving kent - behalve de in art. 3, eerste lid, letter g van de Wet opgenomen onttrekking en de forfaitaire regeling met betrekking tot het privé-gebruik van een tot het bedrijf behorende personenauto (art. 15 Uitvoeringsbeschikking), geen heffing ter zake van het privé-gebruik van goederen die het bedrijfsvermogen niet verlaten.(...) Ondertussen lijkt de Nederlandse wetgeving op dit punt gunstiger uit te pakken dan de richtlijn, nu ook een correctie aan de aftrekzijde achterwege blijft als de ondernemer goederen uit zijn bedrijf voor eigen privé-doeleinden gebruikt. (...)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45a58a06192bfb3c326773b8b5b7991eef31132ecb997efdb3a46d16b785870b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45a58a06192bfb3c326773b8b5b7991eef31132ecb997efdb3a46d16b785870b, en de alinea staat in dat document op bytes 32446 tot 33727.