Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 september 2003
Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 12 september 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8560.
20. Bij de beoordeling van deze klacht dient vooropgesteld te worden dat de werknemer in beginsel het bestaan van het door hem gestelde tegoed aan vakantiedagen zal hebben te bewijzen ingeval de werkgever betwist dat de werknemer nog vakantie toekomt. Dat volgt uit de hoofdregel van art. 177 (oud) Rv, thans art. 150 Rv. Dit betekent echter niet dat de werkgever met een simpele ontkenning van de stelling van de werknemer kan volstaan; uit het voorschrift van art. 7:641 lid 2 BW, dat ervan uitgaat dat de werkgever verplicht is administratie van de genoten en openstaande vakantiedagen bij te houden, valt af te leiden dat de werkgever zijn betwisting van het gestelde aantal niet genoten vakantiedagen dient te motiveren en de gegevens waarover hij beschikt dient te produceren. Voldoet de werkgever niet aan deze motiverings- en documentatieplicht dan loopt hij, afhankelijk van de proceshouding van partijen en de wijze waarop het processuele debat van partijen zich heeft ontwikkeld, het risico dat de rechter de stellingen van de werknemer, nu deze onvoldoende zijn weersproken, als vaststaand aanneemt. Vgl. mijn conclusie onder 8 t/m 12 voor HR 21 juni 1991, NJ 1991, 743 en de aldaar vermelde literatuur- en rechtspraakgegevens.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f18cb437e87be8cbf1b3d52be720577b2024d926968f99130f672b73c0715976. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f18cb437e87be8cbf1b3d52be720577b2024d926968f99130f672b73c0715976, en de alinea staat in dat document op bytes 20521 tot 21774.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f18cb437e87be8cbf1b3d52be720577b2024d926968f99130f672b73c0715976 | shasum -a 256