Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2003

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8570.

11. Ook deze klachten kunnen niet slagen. De redenering van het middel is dat het ongeoorloofd is van een anonieme verdachte te eisen dat hij zijn personalia bekend maakt als hij een rechtsmiddel wil instellen, omdat andere partijen zonder enige beperking de betreffende rechtsmiddelen kunnen instellen. Dat lijkt mij geen juiste redenering. In de rechtspraak is beslist dat een verdachte geen rechtsmiddel kan instellen zolang zijn identiteit niet bekend is. Die eis kan onjuist zijn - daarover gaan de volgende te bespreken klachten - maar het kan niet zo zijn dat dit een onaanvaardbare ongelijkheid oplevert ten aanzien van verdachten die wel aan deze eis voldoen, omdat ze wel hun personalia bekend hebben gemaakt. Dat geldt ook ten aanzien van het openbaar ministerie. Ook daar is van onaanvaardbare ongelijkheid geen sprake omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Het openbaar ministerie wordt geconfronteerd met een processuele opstelling van de verdachte die het niet kan beïnvloeden. Dat dat geen gevolgen heeft voor zijn mogelijkheden om een rechtsmiddel in te stellen, betekent niet dat daarom ook de verdachte in die situatie dezelfde rechtsmiddelen moet hebben. Hij heeft het immers in zijn macht om door het bekend maken van zijn personalia de belemmering voor het instellen van een rechtsmiddel weg te nemen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel of het beginsel van equality of arms is dan ook geen sprake.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/951277698c0874a8323da37fc1cca043bf8fafbda90883bee7075e6fda1022f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 951277698c0874a8323da37fc1cca043bf8fafbda90883bee7075e6fda1022f0, en de alinea staat in dat document op bytes 10814 tot 12262.