Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 september 2003

Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 26 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8575.

Van een schending van dit beginsel is in de onderhavige zaak zich naar mijn mening geen sprake. Over de omstandigheden waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat toewijzing van de vordering van [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie hierboven onder 8 en 10), hebben partijen zich blijkens de gedingstukken voldoende kunnen uitspreken en hebben zij zich ook uitgesproken. Bovendien hebben [verweerders] zowel in eerste aanleg, als in appel zich op de redelijkheid en billijkheid beroepen (zie conclusie van antwoord, p. 14 onder g, en de pleitnotities, p. 12-13 onder 11 en i.h.b. onder g en h) en bezigde de rechtbank in r.o. 4.1 van haar vonnis een terminologie die vaak wordt gebezigd in verband met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (namelijk dat [eiser] geen rechten kon ontlenen aan de brief van 15 december 1995). Van een beslissing waarmee partijen - en in het bijzonder ook [eiser] - geen rekening behoefden te houden, is derhalve geen sprake. De klacht is dus tevergeefs voorgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/884178bdb1f55ea0115388918e44a328d2e68fb096f75cda281048373e529373. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 884178bdb1f55ea0115388918e44a328d2e68fb096f75cda281048373e529373, en de alinea staat in dat document op bytes 24074 tot 25147.