Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8844.

3.11. De onderdelen 1, 2 en 3 bevatten betogen over de door ING ingenomen stelling dat de zoon als derde de schuld van de vader aan ING zou hebben voldaan (zie onderdeel 1), over de stelling dat de zoon de schuld van de vader aan de bank zou hebben betaald, zonder hiertoe jegens de bank verplicht te zijn (onderdeel 2) en over al dan niet gemaakte afspraken tussen de zoon en de vader inzake betaling aan de bank (onderdeel 3). Deze betogen berusten alle op de veronderstelling dat de zoon een betaling aan ING heeft verricht. Alleen wanneer men van deze veronderstelling uitgaat, hebben zij zin. M.i. stuiten de genoemde onderdelen af op de in cassatie onaantastbare feitelijke vaststelling van het hof dat de zoon door de bancaire overschrijving aan de vader beoogde te betalen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd345b8a9723771f5000d9a227f9a3bb18df9495911e1e52e9180d1663b461fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd345b8a9723771f5000d9a227f9a3bb18df9495911e1e52e9180d1663b461fd, en de alinea staat in dat document op bytes 22993 tot 23788.