Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003
Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9416.
Als aanvangstijdstip van de korte termijn van art. 310 lid 1 BW geldt aldus het moment waarop de schuldeiser de voor het instellen van zijn vordering benodigde wetenschap heeft; zie ook HR 25 juni 1999, NJ 2000, 16 m.nt ARB. Vanaf dat moment kan - mede gelet op de belangen van de schuldenaar - van de schuldeiser worden gevergd dat hij zijn vordering instelt of - door middel van stuiting - veilig stelt: zie HR 24 mei 2002, RvdW 2002, 138. Het is mede op die grond - te weten dat van de schuldeiser enige voortvarendheid mag worden verwacht - dat de wetgever het gerechtvaardigd achtte om naast de algemene verjaringstermijn van twintig jaar, die bij vorderingen als de onderhavige een aanvang neemt met de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een verkorte termijn van vijf jaren op te nemen (aanvankelijk werd nog een termijn van drie jaren voorgesteld). Zie MvT Inv., Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1408, waar erop wordt gewezen dat deze bekorting van de verjaringstermijn overeenstemt met "de eis van een vlot lopend rechtsverkeer, waarin schuldeisers hun vorderingen binnen redelijke tijd moeten instellen, zulks mede met het oog op de belangen van de schuldenaar en de rechtszekerheid"; in dat verband wordt erop gewezen dat de schuldeiser die meer tijd nodig heeft, de verjaring kan stuiten, hetgeen volgens art. 3:317 BW - anders dan naar oud recht - reeds mogelijk is bij een enkele brief waardoor de schuldenaar gewaarschuwd wordt. Zie in dezelfde geest MvA II, PG Boek 3, p. 928, waar - in antwoord op vragen van leden van de Vaste Kamercommissie over de betekenis van de vereffenbaarheid van de schade voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn - wordt opgemerkt dat wanneer het juiste bedrag van de schade nog niet aan de benadeelde bekend is doordat de benadeelde, in geval van een lichamelijke kwetsing, weliswaar de schade - alle schadefactoren - kent maar het bedrag toch nog taxatie door een deskundige vereist, het intreden van de verjaringstermijn hierop niet dient te wachten en dat de verjaring dan kan worden gestuit door het instellen van een eis of door schriftelijke aanmaning. De regeling van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW berust daarmee op een belangenafweging: enerzijds moet in het belang van de schuldeiser worden voorkomen dat de korte verjaringstermijn gaat lopen voordat hij bij gebrek aan kennis buiten staat is zijn aanspraak geldend te maken, anderzijds vergen de rechtszekerheid, de eis van een vlot verlopend rechtsverkeer alsook de specifieke belangen van de schuldenaar dat een vordering wordt ingesteld zodra dat redelijkerwijs mogelijk is; in het systeem van art. 3:310 BW wordt ervan uitgegaan dat dat laatste het geval is wanneer de benadeelde "met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden", hetgeen betekent dat is vereist dat de benadeelde met een voldoende mate van zekerheid weet dat hij schade heeft geleden en wie daarvoor aansprakelijk is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d01a485b2b9fbcd751544ff9ce26484ee34d60285e42a21a8c35491157da0ed3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d01a485b2b9fbcd751544ff9ce26484ee34d60285e42a21a8c35491157da0ed3, en de alinea staat in dat document op bytes 18209 tot 21169.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d01a485b2b9fbcd751544ff9ce26484ee34d60285e42a21a8c35491157da0ed3 | shasum -a 256