Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9416.
Men zou ook kunnen menen dat de vijfjarige verjaring pas een aanvang neemt op het tijdstip waarop is beslist op een door de belastingplichtige ingediend bezwaarschrift, zoals het Hof in het onderhavige geding wellicht mede tot uitgangspunt heeft genomen getuige zijn overweging dat de schade niet vaststond voordat uitspraak was gedaan op het door [verweerder 1] ingediende bezwaarschrift. Het enkele gegeven dat de aanslag na bezwaar kan worden gewijzigd en dat de beschikking van de inspecteur blootstaat aan de mogelijkheid van een andersluidende beslissing van de belastingrechter, welke beslissingen niet alleen de omvang van de schade maar ook het bestaan daarvan kunnen betreffen, kan naar mijn oordeel evenwel geen beletsel zijn voor het aanvangen van de verjaringstermijn. Het enkele bestaan van deze voorzieningen neemt immers niet weg dat - met de door aanslag in het leven geroepen opeisbare belastingschuld - reeds schade is ontstaan, waarmee de benadeelde bekend kan zijn en die hij ook kan vorderen (vgl. echter HR 25 september 1981, NJ 1982, 255 met een kritische noot van Brunner); om dan vervolgens de aanvang van de verjaringstermijn afhankelijk te stellen van de beslissing van de benadeelde om de aanslag al dan niet aan te vechten, is mijns inziens niet te rijmen met de strekking van de regeling van de korte verjaringstermijn, te weten dat de schuldeiser in actie dient te komen zodra dat - door het verkrijgen van de wetenschap van de schade - redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Een dergelijk - mogelijk langdurig - uitstel ten bate van de schuldeiser zonder dat deze daarvoor een stuitingshandeling behoeft te verrichten, zou naar mijn oordeel te zeer afbreuk doen aan de belangen van de schuldenaar die - anders dan in casu - van het voeren van deze procedures niet op de hoogte behoeft te zijn. Evenmin kan worden aanvaard dat de verwachtingen die de benadeelde belastingplichtige koesterde of mocht koesteren omtrent een gunstige uitkomst van de bezwaar- of beroepsprocedure op zichzelf reeds in de weg zouden kunnen staan aan diens bekendheid met de schade. Naar mijn oordeel zal in beginsel moeten worden aangenomen dat de vijfjaarstermijn - die desgewenst door stuiting kan worden verlengd - de benadeelde voldoende gelegenheid biedt om de uitkomst van de bezwaar - en beroepsprocedure af te wachten. Dit neemt niet weg dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kán zijn dat een belastingadviseur die bij deze procedures betrokken is geweest en die voorts bij de belastingplichtige het - mede gezien zijn deskundigheid terzake - gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de uitkomst van die procedures zal zijn dat hij geen schade lijdt, zich erop beroept dat de vordering - mede door het verstrijken van de tijd die met deze procedures was gemoeid - is verjaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d01a485b2b9fbcd751544ff9ce26484ee34d60285e42a21a8c35491157da0ed3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d01a485b2b9fbcd751544ff9ce26484ee34d60285e42a21a8c35491157da0ed3, en de alinea staat in dat document op bytes 29263 tot 32112.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d01a485b2b9fbcd751544ff9ce26484ee34d60285e42a21a8c35491157da0ed3 | shasum -a 256