Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003

Alinea 115 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9440.

2.50 Art. 2:349a lid 2 BW bepaalt dat de ondernemingskamer, indien een onmiddellijke voorziening in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek is vereist, een zodanige voorziening kan treffen voor de duur van het geding. In zijn beschikking van 9 oktober 2001, NJ 2002, 92 (Skygate) heeft Hoge Raad geoordeeld de ondernemingskamer de vrijheid heeft zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, en dat aan het treffen van voorlopige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaats gevonden van de belangen van betrokken partijen(40).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/07b7c4b011ec6fd14fa1efbd193acef56efac443b4e36c0b58403dbd533ba8ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 07b7c4b011ec6fd14fa1efbd193acef56efac443b4e36c0b58403dbd533ba8ae, en de alinea staat in dat document op bytes 61616 tot 62617.