Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003
Alinea 111 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9710.
4.18. Onderdeel I.4 verwijt het hof (in rov. 12) geen aandacht te hebben besteed aan hetgeen [verweerders] hadden aangevoerd bij MvA nrs. 16, tweede alinea, en 26. Deze stellingen komen, kort samengevat, hierop neer dat uit het beschrijvende gedeelte van het octrooischrift al blijkt dat het antilichaam volgens het Wistar-octrooi een ander moet zijn dan het antilichaam volgens het octrooi van [verweerders], want polyclonaal geiten anti-CEA antiserum verhindert niet de binding bij toepassing van de uitvinding van Wistar, maar wel bij toepassing van de uitvinding van [verweerders]. Met andere woorden: [verweerders] achtten de clausulering, zoals aangebracht tijdens de procedure voor het Bundespatentgericht en subsidiair voorgesteld in de onderhavige procedure, eigenlijk overbodig.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219, en de alinea staat in dat document op bytes 65449 tot 66250.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219 | shasum -a 256