Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Alinea 55 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9710.

3.13. Het Wistar-octrooi vermeldt in het beschrijvende gedeelte uitdrukkelijk dat van geiten afkomstig anti-CEA de binding van het antilichaam aan het antigeen niet verhindert. Dit behoeft een korte uitleg. Wanneer van twee antilichamen moet worden vastgesteld of ze reageren met hetzelfde epitoop van een eiwit, heeft de immunoloog onder meer de zgn. inhibitietest tot zijn beschikking. Hierbij wordt eerst het ene antlichaam gebonden aan het eiwit en vervolgens wordt het andere antilichaam toegevoegd. Vindt dan geen binding plaats, dan heeft het eerst toegevoegde antilichaam alle epitoopplaatsen geblokkeerd waaraan ook het tweede antilichaam had kunnen binden. Vindt geen blokkering plaats, dan reageren beide antilichamen met verschillende epitopen(9). [verweerders] hebben in de procedure bij het Bundespatentgericht de beperkende clausule toegevoegd dat binding van hun antilichaam aan CEA geheel wordt verhinderd door polyclonaal geiten anti-CEA antiserum. In de procedure bij het Bundespatentgericht heeft F. Hoffmann-La Roche A.G. aangevoerd dat de term "geiten anti-CEA antiserum" te weinig bepaald is omdat de exacte samenstelling van het antiserum afhangt van de geit in kwestie en van de wijze waarop het gezuiverd is. Het Bundespatentgericht heeft dit argument van tafel geveegd, kort gezegd omdat geiten anti-CEA antiserum voor de vakman een bekend begrip en een bruikbare aanduiding was: dit antiserum werd reeds op de prioriteitsdatum "routinematig" gebruikt ten dienste van herkenning, meting en zuivering van CEA. Volgens het Bundespatentgericht is de gemiddelde vakman zich er vanzelfsprekend van bewust dat geiten anti-CEA antiserum veelvormig is, zoals alle antisera van dierlijke herkomst, maar doet deze veelvormigheid voor de gemiddelde vakman niet af aan de duidelijkheid van de aanduiding. Het Bundespatentgericht heeft dit oordeel nader toegelicht (blz. 15-16). De argumenten waarmee de Roche-vennootschappen (pleitnota 101-102) het hof willen overtuigen vormden een herhaling van de discussie voor het Bundespatentgericht. Het hof moet met het woord "onomstreden" dus hebben bedoeld dat de Roche-vennootschappen niet bestrijden dat op zichzelf een verschil is met de stand van de techniek dat de binding van het antilichaam van [verweerders] aan CEA geheel wordt verhinderd door polyclonaal geiten anti-CEA antiserum en dat dit een verschil is met het antilichaam van het Wistar-octrooi, maar dat zij van mening zijn dat dit in voorkomende gevallen niet voldoende zekerheid geeft over de vraag of men te maken heeft met een Wistar-antilichaam dan wel een antilichaam van [verweerders], aangezien geiten anti-CEA antiserum niet altijd dezelfde samenstelling heeft en denkbaar is dat de samenstelling het resultaat van de inhibitieproef beïnvloedt. In de redenering van het hof (in het voetspoor van het Bundespatentgericht) lost deze vraag zich op in de vraag of de aanduiding voor de vakman voldoende duidelijk is om het verschil aan te geven. Die vraag heeft het hof bevestigend beantwoord. Ik acht de motiveringsklacht daarom ongegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219, en de alinea staat in dat document op bytes 27884 tot 30968.