Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9710.

3.17. Of deze klachten slagen, hangt mede af van de ruimte welke de Hoge Raad aan de feitenrechter wil laten bij de toepassing van de maatstaven van het Spiro/Flamco-arrest. In beginsel moet de vaststelling van wat de gemiddelde vakman wel of niet leest in een octrooischrift, in combinatie met de stand van de techniek op de prioriteitsdatum, worden beschouwd als een oordeel van feitelijke aard. De toegevoegde clausule, "the binding of the antibody to CEA being completely inhibited by polyclonal goat anti-CEA antiserum", is op zichzelf voor de vakman begrijpelijk. Wet noch jurisprudentie stellen de eis dat voor de tekst van een gewijzigde octrooiconclusie een aanknopingspunt te vinden is in de vervolgconclusies. Wat het tweede argument betreft, heeft het hof het experiment op blz. 16 van het octrooischrift in zijn oordeel betrokken, maar daaraan een ander gewicht gehecht dan de Roche-vennootschappen doen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Wat het derde argument betreft, heeft het hof klaarblijkelijk in zijn oordeel betrokken dat het Wistar-octrooi in de voorafgaande beschrijving uitdrukkelijk vermeldt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219, en de alinea staat in dat document op bytes 35118 tot 36337.