Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Alinea 80 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9710.

3.31. Art. 56 EOV bepaalt dat een uitvinding als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid wordt aangemerkt indien zij voor een deskundige niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. Het hof is, blijkens rov. 18, van oordeel dat voor de gemiddelde vakman, die een monoclonaal antilichaam in de klasse III wil bereiden, de op de prioriteitsdatum bestaande techniek daarvoor niet toereikend was, omdat geen enkele zekerheid kon worden verkregen dat met die techniek inderdaad het beoogde resultaat werd bereikt. Die zekerheid werd wel geboden in het octrooi van [verweerders]. Op die grond achtte het hof de uitvinding van [verweerders] voldoende inventief. Dit oordeel geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het ontoereikend gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71b2226a5bcd0bd63ad851f388d7b967b3a997d7544946a0867a32074ddd5219, en de alinea staat in dat document op bytes 48050 tot 48862.