Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2003

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AG3813.

10. Dan kom ik nu op art. 137c Sr, waar het hier om gaat. Mijn voormalig ambtsgenoot Van Dorst merkt in NLR, art. 137c Sr, aant. 6, op dat uit HR NJ 2001, 694, kan worden afgeleid dat ook voor art. 137c Sr geldt dat het opzet gericht moet zijn op de openbaarheid van de beledigende uitlatingen. Hoewel de vraag in deze vorm nog niet aan de Hoge Raad is voorgelegd wil ik mij bij zijn opvatting graag aansluiten. Ik meen dat wanneer zou worden aangenomen dat geen opzet op de openbaarheid is vereist, dit tot onaanvaardbare situaties zou leiden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het gemeenteraadslid dat zich in een onderonsje met de burgemeester van Amsterdam waande en zich negatief uitliet over een allochtone bevolkingsgroep, hetgeen werd opgevangen door de pers en vervolgens werd uitgezonden. Het dwangbuis van de politieke correctheid zou wel erg knellend worden als ook uitlatingen van mensen die zich 'onbespied' mogen wanen, tot vervolging en veroordeling aanleiding zouden kunnen geven. Ik zie anders een nog rijkere toekomst voor de afluisterbranche voor me. Mensen zouden wel heel gemakkelijk kunnen worden gechanteerd met een strafbaar feit voor in privé gedane uitlatingen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/feaee921846dab25ac87868de40f939d7125d1ea49d99c213b8ef7ed0716c312. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt feaee921846dab25ac87868de40f939d7125d1ea49d99c213b8ef7ed0716c312, en de alinea staat in dat document op bytes 10021 tot 11218.