Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 oktober 2003

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 21 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AH9998.

19. Uit hetgeen de Minister bij de behandeling van wetsvoorstel 25 403 (dat als de "Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden" eveneens op 1 februari 2000 in werking is getreden, Stb 245) heeft opgemerkt ten aanzien van de huidige art. 126g, tweede lid, 126l, tweede lid en art. 126k, welke bepalingen voorzien in de mogelijkheid heimelijk een besloten plaats te betreden teneinde in die bepalingen bedoelde onderzoekshandelingen te verrichten of voor te bereiden, volgt dat hij deze begrenzing tussen de doorzoeking en andere vormen van onderzoek op besloten plaatsen heeft willen handhaven. Daarbij heeft de Minister als handelingen die onder het begrip 'doorzoeking' vallen, naast het openen van kasten of laden, iedere vorm van verbreking genoemd (Kamerstukken II, 1996-1997, 25 403, nr 3, p. 41).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0459ee33035b4f4e6da3c040da704cd1bdaffe759bf4274bd715ed4b02046591. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0459ee33035b4f4e6da3c040da704cd1bdaffe759bf4274bd715ed4b02046591, en de alinea staat in dat document op bytes 19323 tot 20134.