Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0261.

13. Uit het voorgaande volgt dat bezit een centraal vereiste is zowel bij verkrijgende verjaring naar huidig en oud recht als bij bevrijdende verjaring naar huidig recht. De vraag wanneer sprake is van bezit dient naar huidig recht te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:107 e.v. BW, welke maatstaven overigens niet afwijken van hetgeen gold onder het oude recht waar ingevolge art. 1992 (oud) BW sprake moest zijn van een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit. Art. 3:108 BW bepaalt in vervolg op art. 3:107 ("Bezit is het houden van een goed voor zichzelf") dat de vraag of iemand een goed houdt en of hij dat voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de in de volgende bepalingen gegeven regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Met name op grond van deze bepaling, die niet afwijkt van hetgeen gold naar oud recht, wordt aangenomen dat sprake is van bezit van een erfdienstbaarheid, wanneer er feitelijke omstandigheden - gedragingen, een bestendige toestand van erf en dergelijke - aanwezig zijn waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om een bevoegdheid als gerechtigde tot een erfdienstbaarheid uit te oefenen; het bezit is te goeder trouw ingeval de bezitter zich niet alleen krachtens erfdienstbaarheid bevoegd beschouwde doch zich ook redelijkerwijs bevoegd mocht beschouwen. Zie Asser-Mijnssen-Van Velten-Van Dam, 2002, nr. 196. Zie ook Davids, Mon. Nieuw BW B27, "Mandeligheid en erfdienstbaarheden", tweede druk, nr. 18, die erop wijst dat er feiten en omstandigheden aanwezig moeten zijn waaruit een wilsuiting tot het uitoefenen van een erfdienstbaarheid kan worden afgeleid en dat geen sprake is van bezit wanneer de inbreuk berust op een overeenkomst die mogelijkerwijs stilzwijgend is aangegaan en dan onder de term "bloot gedogen" bekendheid geniet. Vgl. ook Berger, "Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden", 2001, p. 160, die erop wijst dat het vereiste van bezit te goeder trouw een groot struikelblok is voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door verjaring en dat voor de extinctieve verjaring minimaal sprake moet zijn van een duidelijke feitelijke inbreuk op het recht van de eigenaar, waarbij het moet gaan om een gedrag als rechthebbende tot een erfdienstbaarheid. Zie voorts Asser-Mijnssen-de Haan, 2001, nr. 328, die erop wijst dat het vereiste dat degene die zich op verjaring beroept, bezitter moet zijn, pregnant naar voren komt in HR 3 mei 1996, NJ 1996, 501, waarin onder meer aan de orde kwam de vraag of sprake was van een erfdienstbaarheid om bomen te hebben op de erfgrens en op de grond van een ander. De Hoge Raad stelde voorop dat de enkele omstandigheid dat de bomen reeds sinds mensenheugenis ter plaatse waren, niet voldoende is voor het aannemen van zo'n erfdienstbaarheid door verjaring. Daartoe is vereist, aldus de Raad, bezit (te goeder trouw) van de erfdienstbaarheid gedurende de voor verjaring benodigde termijn, hetgeen wil zeggen dat is vereist dat degene bij wie het bezit is aangevangen, zich krachtens erfdienstbaarheid bevoegd beschouwde (en zich ook redelijkerwijs bevoegd mocht beschouwen) de desbetreffende toestand te doen voortduren. De Raad constateerde dat een en ander in casu niet was gesteld en ook niet uit de gestelde feiten kon worden afgeleid. De rechtsgronden aanvullend, oordeelde de Raad dat door verjaring geen erfdienstbaarheid is ontstaan. Vgl. ook reeds HR 16 december 1942, NJ 1943, 61. Zie voorts HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178, waarin aan de orde was of sprake was van ondubbelzinnig bezit - als eigenaar - in de zin van art. 1992 (oud) BW. De Hoge Raad oordeelde dat sprake is van niet dubbelzinnig bezit wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Daarmee is tevens aangegeven dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om verjaring te voorkomen; laat hij die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk de verjaring worden tegengeworpen. Zie in dit verband ook HR 7 maart 1980, NJ 1980, 549, m.nt. WMK, die opmerkt dat het bezit wordt gerelateerd aan de positie van de eigenaar tegen wie de verjaring is gericht. Asser-Mijnssen-de Haan, t.a.p., wijst naar aanleiding van het hiervoor genoemde arrest van 3 mei 1996 erop dat degene die beweert als bezitter van een strook grond door verjaring de eigendom ervan te hebben gekregen en daarom bevoegd te zijn die strook als weg te gebruiken, niet vervolgens, indien deze stelling niet houdbaar blijkt, kan zeggen dat hij dan door verjaring een erfdienstbaarheid van weg over de strook heeft verkregen. Hij heeft zich dan immers op het standpunt gesteld dat hij bezitter was van de eigendom; dit betekent dat hij niet bezitter van de erfdienstbaarheid was. Bij gebreke van bezit kan dit recht niet door verjaring zijn ontstaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/308d736a6b40870c5841b59855659f92217f66a9a37a91d0ead651f8876ff958. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 308d736a6b40870c5841b59855659f92217f66a9a37a91d0ead651f8876ff958, en de alinea staat in dat document op bytes 34400 tot 39617.