Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0261.

14. Het onderhavige geval wordt - althans met betrekking tot de litigieuze uitbouw - daardoor gekenmerkt dat de eigenaar van het dienende erf die op dat erf de uitbouw heeft opgericht ter zake waarvan het ontstaan van een erfdienstbaarheid wordt geclaimd, tevens de feitelijke gebruiker is van het aan een ander toebehorende heersende erf van waaruit het gebruik van de uitbouw plaatsvond, welke uitbouw - naar moet worden aangenomen - bestanddeel is geworden van het zich op het heersende erf bevindende gebouw. Het Hof heeft geoordeeld dat deze combinatie van hoedanigheden - eigenaar van het dienende erf en gebruiker van het heersende erf - de toepassing van de verjaringsregeling uitsluit omdat in een zodanig geval geen sprake kan zijn van (ondubbelzinnig) bezit van een erfdienstbaarheid. Dat oordeel dat impliceert dat in een dergelijk geval ook aan de zijde van de eigenaar van het heersende erf geen sprake kon zijn van (middellijk) bezit van een erfdienstbaarheid, lijkt mij juist. De eigenaar die zijn eigen erf gebruikt, ook al is dat ten bate van een aan een ander toebehorend heersend erf, behoort niet bloot te staan aan de mogelijkheid dat dit gebruik door enkel tijdverloop zou leiden tot een verlies van rechten; een dergelijke uitkomst zou in strijd zijn met de strekking van de rechtsfiguur van de (verkrijgende en bevrijdende) verjaring als ontstaanswijze van erfdienstbaarheden. Ik wijs in dit verband nog erop dat zowel naar oud als naar huidig recht geldt dat het niet mogelijk is om een erfdienstbaarheid te vestigen ingeval het gaat om twee erven die in één hand zijn en dat reeds bestaande erfdienstbaarheden door vermenging tenietgaan ingeval het heersende en het dienende erf in één hand komen (art. 753 (oud) BW respectievelijk art. 3:81 BW). (Naar oud recht kon dan door bestemming een erfdienstbaarheid ontstaan ingeval de eigenaar van de twee erven die in een zodanige toestand zijn gesteld dat daaruit een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid zou zijn ontstaan, een van deze erven vervreemdt (art. 747 en 748 (oud) BW.)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/308d736a6b40870c5841b59855659f92217f66a9a37a91d0ead651f8876ff958. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 308d736a6b40870c5841b59855659f92217f66a9a37a91d0ead651f8876ff958, en de alinea staat in dat document op bytes 41283 tot 43361.