Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0280.

1) Bij overeenkomst van samenwerking van 4 december 1984 zijn de verweerster in cassatie, [verweerster] en Juno Properties V BV (hierna: Juno) een vennootschap onder firma Juno Miniplan Kantoren Marshallweg (hierna: de v.o.f.) aangegaan. Teneinde Juno aan haar inbrengverplichting van 50% te kunnen laten voldoen heeft [...] Houdstermaatschappij B.V. (hierna: de houdstermaatschappij) aan Juno op 4 december 1984 een lening verstrekt van ƒ 1.615.000,--. Aan deze lening was een zogenaamde positieve/negatieve hypotheekverklaring verbonden, die in 1992 is omgezet in een tweede hypotheek op de onroerende zaak (kantoorgebouwen) Marshallweg te Rotterdam. De v.o.f. is op 22 juni 1994 ontbonden door het faillissement van Juno. Eisers tot cassatie zijn de curatoren in dat faillissement (hierna: de curatoren). Ingevolge art. 8 lid 4 onder b (het verblijvensbeding) van de samenwerkingsovereenkomst verblijven door het faillissement van Juno alle gemeenschappelijke vermogensbestanddelen van de v.o.f. van rechtswege aan de niet-failliete vennoot, in casu [verweerster], onder gehoudenheid van [verweerster] om de schulden en verplichtingen van de v.o.f. voor haar rekening te nemen en onder gehoudenheid om het aandeel van de failliete partij in het vermogen van de v.o.f. (in dit geval 50%) te voldoen. Ten tijde van het faillissement van Juno behoorden de genoemde kantoorgebouwen aan de Marshallweg te Rotterdam tot het vermogen van de v.o.f. Deze kantoorgebouwen, die ingevolge bedoeld verblijvensbeding aan [verweerster] toekwamen, zijn in december 1995 op verzoek van [verweerster] om fiscale redenen en met medewerking van de curatoren geleverd aan [verweerster]. Op deze onroerende zaak rustten een tweetal hypotheken, te weten een eerste hypotheek van ƒ 1.000.000,-- voor een bankschuld van de v.o.f. zelf en de genoemde tweede hypotheek. Op 18 juli 1997 heeft [verweerster] de door laatstbedoelde hypotheek gedekte vordering c.a. van de houdstermaatschappij op Juno ten bedrage van ƒ 1.763.907,-- betaald, teneinde uitwinning door de houdstermaatschappij te voorkomen. Hierdoor is [verweerster] op grond van artikel 6:150 sub b BW krachtens subrogatie getreden in de rechten van de houdstermaatschappij jegens Juno. Op 29 september 1998 heeft [verweerster] nog een bedrag van ƒ 116.535,-- wegens (aanvankelijk niet juist berekende) nog door Juno verschuldigde rente aan de houdstermaatschappij voldaan, waardoor de totale vordering van [verweerster] op Juno een bedrag van ƒ 1.880.442,-- betreft. De curatoren erkennen de vordering ad. ƒ 1.880.442,-- als een concurrente vordering in het faillissement van Juno.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d, en de alinea staat in dat document op bytes 5519 tot 8157.