Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0280.

Vòòr de opvatting die het middel verdedigt valt in elk geval dit te zeggen, dat bij de gevallen die het middel op het oog heeft, zich gewoonlijk niet zal voordoen de in alinea 14 hiervóór genoemde omstandigheid, dat de wederpartij van de gefailleerde zich bij het verlenen van krediet heeft laten leiden door de gedachte dat hij een mogelijkheid van verrekening had (of kon krijgen): in de betreffende gevallen kon de betrokkene immers vaak niet weten dat die mogelijkheid in het verschiet lag. Er is dus wat voor te zeggen dat de met art. 53 F beoogde billijkheid hier minder gewicht in de schaal legt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d, en de alinea staat in dat document op bytes 23780 tot 24400.