Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0280.

Een eerste, enigszins indirect argument hiervoor kwam eerder al ter sprake. Het wordt geïllustreerd door de al genoemde arresten HR 8 juli 1987, NJ 1988, 104 m.nt. G en HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 449 m.nt. JBMV. In die arresten werd toepassing van art. 54 F mogelijk geacht in gevallen waarin van het "overnemen" van een vordering, hoe ruim men dat begrip ook wil opvatten, geen sprake was: het ging om het geval van een bank aan wie een debiteur van een (bijna) gefailleerde een betaling doet. De bank neemt dan niet de schuld van de betreffende debiteur aan de gefailleerde over, maar krijgt uit eigen hoofde een schuld aan de rekeninghouder (gefailleerde), tot het bedrag waarmee diens rekening gecrediteerd is(17).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d, en de alinea staat in dat document op bytes 24835 tot 25569.