Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003
Alinea 51 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0280.
21) Verder - en dit lijkt mij het belangrijkste argument tegen de door het middel voorgestane opvatting - laat de in alinea 9 hiervóór aangehaalde rechtspraak zien, dat het feit dat een voor verrekening in aanmerking genomen vordering bij de wederpartij van de gefailleerde opkomt als sequeel van het tenietgaan van een vordering op de gefailleerde elders (zodat in zoverre van een materiële "overgang" van de vordering kan worden gesproken) op zichzelf geen beletsel oplevert voor verrekening, en geen rechtvaardiging voor de toepassing van art. 54 F. Uit die rechtspraak blijkt immers dat met betrekking tot regresvorderingen verrekening in het algemeen mogelijk wordt geoordeeld (waarbij het telkens ging om vorderingen die door subrogatie waren verkregen, maar volgens mij geen gewicht is toegekend aan de vraag of het regres op subrogatie of op een andere grondslag berustte - zie ook voetnoot 20).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d, en de alinea staat in dat document op bytes 27180 tot 28099.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d | shasum -a 256