Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0280.

In dit verband komt, zoals ik in alinea 12 al even opmerkte, ook gewicht toe aan de strekking van het instituut van de subrogatie. In de gevallen die in art. 6:150 sub b en c BW worden behandeld is die strekking, kort samengevat, dat de billijkheid aandringt dat de door subrogatie bevoordeelde partij de vordering op de debiteur moet verkrijgen, die aanvankelijk toekwam aan de crediteur aan wie die vordering vóór de subrogatie toekwam(19). Deze strekking vertoont een grote mate van gelijkenis met de strekking van de (overige) regels waardoor een regresrecht wordt toegekend aan degene die een schuld voor zijn rekening heeft moeten nemen die (vooral) een ander aangaat: in dergelijke gevallen geldt dat de partij die de betaling voor zijn rekening kreeg te nemen, daartoe rechtens of praktisch genoodzaakt was, en dringt het feit dat de betreffende schuld "eigenlijk", althans in de laatste instantie, thuishoort bij een ander, de overgang krachtens subrogatie (of in de vorm van (andersoortige) toekenning van een regresrecht(20)), aan. Qua strekking lijken deze gevallen zo op elkaar, dat het in de rede ligt om ook art. 54 F hier overeenkomstig toe te passen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d, en de alinea staat in dat document op bytes 28460 tot 29642.