Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Alinea 54 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0280.

23) Dat wil natuurlijk niet zeggen dat subrogatie eo ipso aan de werking van art. 54 F onttrokken is. Het in art. 6:150 d BW omschreven geval van subrogatie is bijvoorbeeld van dien aard, dat toepassing van art. 54 F onder de meeste denkbare omstandigheden wèl in aanmerking komt; ik meen dat dit ook de gedachte is die in HR 27 november 1970, NJ 1971, 127 tot uitdrukking komt. Maar ook bij de gevallen die in art. 6:150 BW onder b t/m c worden omschreven kán het zo zijn dat toepassing van art. 54 F aangewezen is. Ik denk bijvoorbeeld aan het geval dat de vordering die bij wege van subrogatie overgaat, de waarde van het goed of het recht dat in de sub b of c omschreven categorieën wordt aangeduid, aanzienlijk overtreft (zodat er reden kan zijn om te vermoeden dat het niet (zo zeer) het behoud van het betreffende goed of het betreffende recht, maar vooral de verkrijging van een compensabele tegenvordering was, die de drijfveer voor de betreffende transactie heeft gevormd. Die gedachte kan eens te meer opkomen als de betaling die aan de subrogatie ten grondslag ligt - een niet louter hypothetisch voorbeeld - er een is tussen een dochter- en een moedermaatschappij, en het geld dus, huiselijk uitgedrukt, "binnen de familie blijft".).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d, en de alinea staat in dat document op bytes 29662 tot 30925.