Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0280.

Eenmaal aangenomen dat partijen met elkaar zouden verkeren alsof er geen overdracht had plaatsgehad, kan de regresvordering die ontstond toen betaling van de houdstermaatschappij plaatsvond, immers wèl worden beschouwd als een vordering van de v.o.f. op Juno, zeker als men de fictie ook in die zin doortrekt, dat wordt aangenomen dat de betaling, al is die in werkelijkheid door [verweerster] gedaan, in de onderlinge verhouding van partijen (met inachtneming van het uitgangspunt dat van de overdracht van december 1995 moet worden geabstraheerd) als een betaling door de v.o.f. mag worden aangemerkt. Het is dat laatste wat het hof, volgens mij, tot uitdrukking bedoelt te brengen met de zinsnede dat [verweerster] de betaling ook via het vermogen van de v.o.f. had kunnen laten verlopen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f1b7dcd425b271a3a12d52d52ee9b1d6aa53d9a4ffa4171d6164899ca597f6d, en de alinea staat in dat document op bytes 36709 tot 37514.