Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003

Alinea 110 Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0306.

3.18 De onderdelen 2.1 en 2.2 zijn gericht tegen rov. 4.4 en 4.5. Zoals hiervoor al werd vermeld, heeft VBI aan haar vordering tot schadevergoeding mede ten grondslag gelegd dat zij door het sluiten van de voorovereenkomst met [verweerder 1] in een door de goede trouw (redelijkheid en billijkheid) beheerste rechtsverhouding is komen te staan op grond waarvan op [verweerder 1] de plicht is komen te rusten volledige openheid van zaken te geven. Volgens VBI is [verweerder 1] deze uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verbintenis niet nagekomen, zodat hij op grond van art. 6:74 BW schadeplichtig is. In de bestreden rov. 4.4 en 4.5 heeft het hof deze grondslag (n.a.v. grief 5) beoordeeld en verworpen. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen (rov. 4.5):

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dc3e3ddafd2e8926328a543eaf9b9ae9bf3e014f96b23d7f0ad3dbfaa90ad73d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dc3e3ddafd2e8926328a543eaf9b9ae9bf3e014f96b23d7f0ad3dbfaa90ad73d, en de alinea staat in dat document op bytes 42022 tot 42809.