Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 2003
Alinea 88 Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0308.
4.24 Rechtspraak waarin aan de orde was of op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt op (de aanvang van) de verjaringstermijn van art. 3:307 BW heb ik niet kunnen vinden. Bij vorderingen tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomst doet zich nu eenmaal niet vaak de situatie voor dat de schuldeiser, door onbekendheid met de vordering of om andere redenen, niet tot het geldend maken van de vordering in staat is.(42) Ook in het onderhavige geval doet zich die situatie, zoals ik hierboven opmerkte, niet voor. Toch is de hierboven besproken rechtspraak voor de onderhavige zaak relevant. Zoals ik hierboven opmerkte kan m.i. uit deze rechtspraak namelijk worden afgeleid dat ook de, in de woorden van het cassatiemiddel, achter het vorderingsrecht schuilgaande belangen van derden, afgezien van de vraag of men die belangen mag laten meewegen, niet tot een uitzondering op de verjaringsregels nopen. Ik licht dit hieronder toe.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ab53c67b3e14f58d13690d2b6b02da0184dde219380353eb55e0605ce846c82. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ab53c67b3e14f58d13690d2b6b02da0184dde219380353eb55e0605ce846c82, en de alinea staat in dat document op bytes 43259 tot 44256.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6ab53c67b3e14f58d13690d2b6b02da0184dde219380353eb55e0605ce846c82 | shasum -a 256