Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 2003
Alinea 93 Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0308.
4.28 Ad c) De verjaringsregeling van Boek 3 staat in bepaalde gevallen verlenging van de verjaring toe. Met name art. 3:321, lid 1, onder d, BW is relevant. Op grond van deze bepaling bestaat er een grond voor verlenging van de verjaringstermijn in het geval een rechtspersoon een vordering heeft op zijn bestuurders. M.i. doet het hierbij uitgaande van het door de wetgever met de verlengingsregeling beoogde doel niet terzake, in welke hoedanigheid de bestuurder van de rechtspersoon een rechtsplicht jegens de rechtspersoon heeft. Het kan gaan om een vordering die de rechtspersoon op de bestuurder als bestuurder of bij voorbeeld als aandeelhouder heeft. In al deze gevallen bestaat het risico dat een bestuurder niet snel tot inning van de vordering zal overgaan vanwege het bestaan van een tegenstrijdig belang-situatie. Om deze reden is verlenging van de verjaringstermijn gerechtvaardigd. Indien de verjaring van zo'n vordering afloopt gedurende de tijd dat de bestuurder nog in functie is, loopt de termijn door tot zes maanden nadat de bestuurder is afgetreden (art. 3:320 BW).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ab53c67b3e14f58d13690d2b6b02da0184dde219380353eb55e0605ce846c82. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ab53c67b3e14f58d13690d2b6b02da0184dde219380353eb55e0605ce846c82, en de alinea staat in dat document op bytes 47401 tot 48502.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6ab53c67b3e14f58d13690d2b6b02da0184dde219380353eb55e0605ce846c82 | shasum -a 256