Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2003

Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0369.

3.6 ICH heeft gesteld dat de Belmarkenlening op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. Zij heeft betoogd dat UPC bij het totstandkomen van deze lening paulianeus in de zin van art. 3:45 BW dan wel onrechtmatig tegenover haar concurrente crediteuren en obligatiehouders heeft gehandeld.(21) ICH heeft hiertoe aangevoerd dat het afsluiten van de Belmarkenlening niet nodig was, omdat voor UGC de verplichting bestond kapitaal aan UPC te verschaffen in de vorm van aandelen, waartoe UGC de benodigde middelen zou ontvangen van Liberty, die zich op haar beurt tegenover UGC en UPC tot kapitaaldeelneming had verplicht. Voorts heeft ICH aangevoerd dat door middel van de Belmarkenlening een herschikking is getroffen en dat Liberty, UGC en UPC hierbij geen of onvoldoende rekening hebben gehouden met de belangen van de obligatiehouders en andere crediteuren. Tot slot heeft ICH aangevoerd dat UPC en Belmarken Holding in het kader van de Belmarkenlening onverplicht zekerheden hebben verstrekt. Rov. 4.6 - 4.11 van de bestreden beslissing hebben op dit alles betrekking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5b33e127c35eefdf1991fb7141cf934052b5773bef033a8ce8de0e7a49cf20ec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5b33e127c35eefdf1991fb7141cf934052b5773bef033a8ce8de0e7a49cf20ec, en de alinea staat in dat document op bytes 30215 tot 31297.