Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0865.

15) Ware het niet dat de beslissing om het bewijsaanbod van [eiser] te passeren mede berust op de beide (of zo men wil: de drie) hiervóór door mij als ondeugdelijk aangemerkte (deel)overwegingen, zou men kunnen twijfelen of de Rechtbank (overigens) kon besluiten om dat bewijsaanbod te passeren (het gegeven waarover onderdeel 1 van het middel klaagt). Enerzijds ben ik het met de steller van het middel eens, dat in het licht van het partijdebat alleszins duidelijk was, op welk gegeven dat bewijsaanbod betrekking had - het moet, op zijn allerminst: mede, betrekking hebben gehad op het éne centrale gegeven waarover de partijen in deze zaak streden: het al-dan-niet hebben bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [betrokkene 1] en [eiser]. Bovendien lijkt mij voldoende aannemelijk, welke getuige(n) voor het leveren van het aangeboden bewijs beoogd werden: in elk geval de al genoemde [betrokkene 2], en waarschijnlijk ook één of meer van de opstellers van de namens [eiser] in appel overgelegde verklaringen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f991149d3861f6ae748f65ed3bdaa1ed56e7901bfd7fd24c24e3e838ea693ad5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f991149d3861f6ae748f65ed3bdaa1ed56e7901bfd7fd24c24e3e838ea693ad5, en de alinea staat in dat document op bytes 16394 tot 17448.