Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI1061.

dat op grond hiervan aannemelijk is dat de wetgever van 1901 - wat hij voor de toepassing van art. 96 jo. art. 61 bij een onteigening ter uitvoering van een uitbreidingsplan onder het "werk waartoe werd onteigend" ook mag hebben verstaan - voor de vraag wanneer met dit werk geacht moet worden een aanvang te zijn gemaakt, aan soortgelijke werkzaamheden heeft gedacht als die welke daartoe bij de toepassing van art. 61 Ow. in het algemeen in aanmerking komen, dat wil zeggen aan materiële werkzaamheden op of aan de onteigende grond of het complex van gronden waartoe het onteigende behoort, en niet aan de voorbereidende werkzaamheden die daaraan - anders dan in de "gewone gevallen" van onteigening - vooraf moeten gaan, en met het oog waarop de in art. 61 Ow. bepaalde termijn nu juist van een jaar tot tien jaren werd verlengd;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e962087e68cffa0fd312dc49aa92cd983e6b5601212a25560d28b21cdf8247f6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e962087e68cffa0fd312dc49aa92cd983e6b5601212a25560d28b21cdf8247f6, en de alinea staat in dat document op bytes 22017 tot 22863.