Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2003

Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI1595.

8. Mijns inziens is dat niet het geval. De jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt op dit punt de volgende lijn te volgen: schending van art. 41, eerste lid onder a Sv heeft nietigheid tot gevolg wanneer 1) in hoger beroep op dit punt verweer is gevoerd (vgl. HR 16 februari 1988, NJ 1988, 838) of 2) de zaak in hoger beroep bij verstek en zonder raadsman is afgedaan en dus geen verweer gevoerd kon worden (vgl. HR 17 maart 1992, LJN: ZC9004). Wanneer daarentegen de verdachte wel de mogelijkheid heeft gehad om in hoger beroep te klagen over het ontbreken van een raadsman, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, is de rechter in hoger beroep niet gehouden ambtshalve de nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg uit spreken. Vgl. HR 10 januari 1993, NJ 1993, 530.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/14ac0b4893a9f95a037638419bddb026b4038e4a50551ff552327678410ca67a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 14ac0b4893a9f95a037638419bddb026b4038e4a50551ff552327678410ca67a, en de alinea staat in dat document op bytes 10214 tot 11011.