Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8422.

2.12. Voor algemene beschouwingen over het gebruik van schriftelijke verklaringen die door de raadsman van één der partijen zijn opgesteld, verwijs ik naar mijn heden genomen conclusie in de parallelzaak C 02/095 HR. In het bestreden arrest valt m.i. niet te lezen dat het hof van oordeel zou zijn dat de schriftelijke, door [betrokkene 1] ondertekende verklaring niet als bewijsmiddel mág worden gebruikt. Wat het hof in feite doet, is: het als onbruikbaar terzijde leggen van de verklaring omdat het hof deze verklaring onvoldoende betrouwbaar acht en kennelijk de voorkeur geeft aan hetgeen [betrokkene 1] als getuige ten overstaan van de rechter heeft verklaard boven die schriftelijke verklaring. Aldus verstaan, gaat het niet om een geval van bewijsuitsluiting, maar slechts om een keuze van het hof uit de beschikbare bewijsmiddelen. De selectie van het bewijs is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De slotsom van het voorgaande is dat dit middelonderdeel niet tot cassatie leidt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fec62cc11e4f0fcf52d46a556a69aa5bda61d6a326f87041178702527440f336. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fec62cc11e4f0fcf52d46a556a69aa5bda61d6a326f87041178702527440f336, en de alinea staat in dat document op bytes 29838 tot 30863.