Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Alinea 63 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8427.

Uit de toelichting op dit voorstel blijkt dat de schrijvers van het Interimrapport het horen van getuigen van wie van tevoren onduidelijk is wat zij zullen en kunnen verklaren, als inefficiënt beschouwt. Op voorhand door partijen geproduceerde schriftelijke verklaringen van potentiële getuigen zouden een basis kunnen vormen voor de vaststelling door de rechter, in samenspraak met partijen - daartoe dient de mondelinge behandeling -, welke getuigen mondeling gehoord zouden moeten worden(15). Wanneer de ontwikkelingen deze kant uitgaan, ligt het voor de hand dat in de toekomst vaker een beroep zal worden gedaan op een schriftelijke verklaring van een getuige die vóór de zitting tot stand is gekomen. De wijze waarop een schriftelijke verklaring tot stand komt is in het Interimrapport (nog) niet uitgewerkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/255ee908f97598546f610d25568ab8aa7253a34a5a848452d8f3187827850057. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 255ee908f97598546f610d25568ab8aa7253a34a5a848452d8f3187827850057, en de alinea staat in dat document op bytes 31205 tot 32037.