Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Alinea 69 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8427.

2.16. In de tuchtrechtelijke jurisprudentie en literatuur over deze bepaling(18) heeft het contact van de raadsman met (potentiële) getuigen in strafzaken alle aandacht gekregen. De ratio van deze tuchtrechtelijke gedragsregel wordt gezocht in de vrees voor beïnvloeding van de getuige door de raadsman, althans in het vermijden van iedere schijn dat de raadsman de getuige heeft beïnvloed. Aldus opgevat, ondervindt deze gedragsregel weerstand, waarbij telkens het argument naar voren wordt gebracht dat de wederpartij (de politie) wél de mogelijkheid heeft om getuigen te horen vóór de gerechtelijke fase van het strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast wordt als een praktisch argument aangevoerd dat de advocaat bij een behoorlijke voorbereiding van de zaak wel genoodzaakt is om tevoren contact op te nemen met potentiële getuigen. Alleen op die wijze kan de advocaat vermijden dat nodeloos getuigen worden voorgebracht, die niets kunnen verklaren dat voor de beoordeling dienstig kan zijn. Wanneer de advocaat getuigen oproept die hij tevoren niet heeft gesproken, en waarvan hij dus niet weet wat zij zullen gaan verklaren, kan dit zelfs schadelijk zijn voor het belang van zijn cliënt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/255ee908f97598546f610d25568ab8aa7253a34a5a848452d8f3187827850057. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 255ee908f97598546f610d25568ab8aa7253a34a5a848452d8f3187827850057, en de alinea staat in dat document op bytes 33838 tot 35049.