Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8435.

17. Middelonderdeel 2.1 betoogt - terecht - dat de vrouw in haar memorie van antwoord/voorwaardelijk incidenteel beroep bezwaren heeft ingebracht tegen het oordeel van de Rechtbank dat 1 januari 1992 geldt als peildatum waartegen de verschillende vermogensbestanddelen van partijen in de verrekening (verdeling in de woorden van de vrouw) betrokken dienen te worden; het middelonderdeel betoogt - eveneens terecht - dat de vrouw voorts bezwaren heeft ingebracht tegen de door de Rechtbank aanvaarde waardering van de aandelen van de praktijkvennootschap van de man. De Rechtbank heeft over de peildatum beslist in haar tussenvonnis van 16 juli 1997, rechtsoverweging 4b. In het voorwaardelijk incidenteel beroep heeft de vrouw dit vonnis niet met zoveel woorden genoemd, maar daartoe was zij ook niet gehouden nu duidelijk was waartegen zij bezwaar maakte. Ook de man heeft begrepen waartegen hij zich diende te verweren: uit zijn memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel blijkt dat het de man duidelijk was dat het de vrouw te doen was om de peildatum en om de waardering van de aandelen van de praktijkvennootschap van de man. (Vgl. in dit verband Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 137 en 138; zie ook Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nr. 26 en 40.) De vrouw heeft haar bezwaren ook geadstrueerd. Zij heeft in dat verband betoogd dat de keuze van de peildatum naar haar oordeel samenhangt met de wijze waarop tussen partijen wordt verdeeld dan wel verrekend en voorts dat naar haar oordeel de waarde van de aandelen in de praktijkvennootschap van de man aanzienlijk hoger lag dan door Rechtbank aangenomen aangezien de man tijdens het huwelijk de eigendom van zijn kantoorpand in de vennootschap had ingebracht. 's Hofs oordeel dat de vrouw geen voldoende onderbouwde grieven naar voren heeft gebracht, is dan ook zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Onderdeel 2.1 wordt derhalve terecht voorgesteld: de klacht dat het Hof te hoge eisen heeft gesteld aan de inrichting van een conclusie van eis in hoger beroep voorzover het met de term "voldoende onderbouwde grieven" verdergaande formele eisen heeft bedoeld te stellen, slaagt, evenals de klacht dat 's Hof oordeel onbegrijpelijk is voorzover het Hof heeft geoordeeld dat onvoldoende duidelijk bleek op welke gronden de vrouw vernietiging vroeg van hetgeen de Rechtbank heeft beslist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/15b21cbca3953aa233ff49e1b92f606f80b522934ce37f32ceef01fd69ec8eca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 15b21cbca3953aa233ff49e1b92f606f80b522934ce37f32ceef01fd69ec8eca, en de alinea staat in dat document op bytes 35900 tot 38358.