Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8442.

Bij beantwoording van de vraag of [verweerder] recht heeft op medewerking van [eiser] in de vorm van een door deze te ondergaan bloedonderzoek, gaat het hof ervan uit dat [eiser]'s aan art. 10 en art. 11 Gw. ontleende grondrecht op privacy en de onaantastbaarheid van zijn lichaam zijn grenzen vindt in de bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Tussen burgers onderlig kan een zodanige beperking in beginsel worden gegrond op art. 6:162 BW, zulks mede aan de hand van de in dat artikel besloten liggende normen die krachtens hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens elkaar in acht genomen moeten worden. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, tussen deze burgers een overeenkomst is gesloten die in relevant verband staat met de reden die aan het verzoek tot medewerking ten grondslag ligt, kan een dergelijke beperking reeds voortvloeien uit de inhoud van de overeenkomst. De inhoud wordt mede vastgesteld met behulp van hetgeen naar de aard van de overeenkomst uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit (r.o. 4.8).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14, en de alinea staat in dat document op bytes 9610 tot 10669.