Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8442.

Daarnaast wordt als bezwaar tegen 's hofs oordeel aangevoerd dat in het gedrag van [eiser] bij het ontstaan van het bloed-op-bloed contact geen enkele rechtvaardiging is te vinden voor het toelaten van een inbreuk op zijn grondrechten. Daartoe wijst de schriftelijke toelichting op het verschil met HR 18 juni 1993, NJ 1994, 347 m.nt. EAA en CJHB (AIDS-test), waarin het ging om een gedwongen bloedonderzoek na verkrachting. Uit dit arrest zou volgens de toelichting volgen dat de rechtvaardiging voor een inbreuk op onaantastbaarheid van het lichaam gelegen is in het ernstig verwijtbaar onrechtmatig handelen door de veroorzaker van een mogelijke HIV-besmetting. Betoogd wordt dat de onderhavige zaak wezenlijk verschilt met het geval van het AIDS-test-arrest, nu [eiser] in geen enkel opzicht verwijtbaar heeft gehandeld bij het ontstaan van het bloed-op-bloed contact (klacht 2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14, en de alinea staat in dat document op bytes 16802 tot 17699.