Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8442.

Gegeven het feit dat [eiser] geen verwijt kan worden gemaakt, zou allerminst aannemelijk zijn of voor de hand liggen dat [eiser] een inbreuk op zijn recht op lichamelijke integriteit moet dulden. Hierop laat de toelichting volgen dat dit betekent dat evenmin gezegd kan worden dat de plicht van [eiser] tot meewerken aan een bloedonderzoek en daarmee tot het dulden van een inbreuk op zijn grondrecht(en) met voldoende scherpte uit ongeschreven normen van het maatschappelijk verkeer is af te leiden, hetgeen door de Hoge Raad in (het slot van r.o. 3.2 van) het AIDS-test-arrest wordt vereist. Ook deze omstandigheid zou in casu derhalve een beletsel vormen voor het aanvaarden van een inbreuk op de grondrechten van [eiser] (klacht 3).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14, en de alinea staat in dat document op bytes 17707 tot 18457.