Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003
Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL8442.
14) Volgens klacht 2 van (de toelichting op) het middel staat aan het zwaarder laten wegen van het belang van [verweerder] in de weg de omstandigheid dat [eiser] in geen enkel opzicht een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van het bloed-op-bloed contact, hetgeen gelet op het AIDS-test-arrest vereist zou zijn. Deze klacht ziet evenwel eraan voorbij dat er tussen de zaak van het AIDS-testarrest en de onderhavige zaak een verschil is gelegen in de aard van de rechtsbetrekking. Zo was in het AIDS-test-arrest het (ernstig verwijtbaar) onrechtmatig handelen van een verkrachter de oorzaak van de potentiële besmetting met het HIV-virus, terwijl in deze zaak de mogelijke HIV-besmetting valt terug te voeren op (uitvoering van) de tussen [eiser] en [verweerder] gesloten medische behandelingsovereenkomst. Juist met het oog op deze overeenkomst heeft het hof - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat in verband met de redelijkheid en billijkheid van een patiënt verlangd kan worden om ook na beëindiging van de overeenkomst binnen redelijke grenzen het nodige te doen om de schade die de arts tijdens de behandeling heeft opgelopen te beperken. Aan deze op [eiser] rustende schadebeperkingsplicht staat volgens het hof niet in de weg dat het prik- of snijincident het gevolg is van [verweerder]s eigen gedraging, en wel omdat de kans op verwezenlijking van een prik- of snijincident verbonden is aan de uitvoering van de behandelingsovereenkomst (r.o. 4.17). Daarnaast is hier van belang de overweging van het hof dat de kans dat het bloed van een arts in aanraking komt met het bloed van een derde niet zeer gering is (hetgeen door [eiser] zelf ook al was gesteld). Volgens het hof blijkt hieruit dat het voor [eiser] duidelijk was dat hij zich door het sluiten van de behandelingsovereenkomst in een bijzondere verhouding tot [verweerder] begaf (r.o. 4.18). Daarbij is het niet aannemelijk, aldus nog steeds het hof, dat [eiser], handelend als redelijk patiënt, van de behandeling had afgezien indien [verweerder] hem had ingelicht over de plicht van [eiser] om in geval van een prik- of snijincident bloed af te geven. In appèl staat immers onbestreden vast dat de door [verweerder] verrichte behandeling medisch gezien noodzakelijk was (r.o. 4.23). Bezien tegen deze achtergrond, ben ik van mening dat 's hofs oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Klacht 2 is dus vruchteloos voorgesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14, en de alinea staat in dat document op bytes 28770 tot 31232.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/01c55bb4260619b8538a3668c70f6f05269a572c99735de30fd6bb044ce9bf14 | shasum -a 256