Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 december 2003

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 16 december 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AL9062.

18. Voor de vraag hoe het begrip "zonder vertraging" binnen de Nederlandse rechtsorde moet worden ingevuld is van belang hoe de wetgever heeft voorzien in een termijn binnen welke een strafzaak moet zijn voltooid. In zijn algemeenheid ontbreekt die termijn. Ten aanzien van verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevinden heeft de wetgever de rechter wel aan enige strakke termijnen gebonden. De behandeling van een zaak in eerste aanleg dient plaats te vinden uiterlijk 106 dagen nadat de verdachte in verzekering is gesteld (art. 58, 64 en 66 Sv), de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient aan te vangen 180 dagen na de datum van de eind-uitspraak in eerste aanleg (art. 75, derde lid, Sv). Daarbij moet wel worden aangetekend dat de aanvang van de behandeling nog niet wil zeggen dat de behandeling dan steeds ook in één keer voltooid moet worden. Art. 282 Sv voorziet immers in schorsing van de behandeling in het belang van het onderzoek wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. De rechter wordt dan wel weer aan strakke termijnen gehouden: één maand, om klemmende redenen ten hoogste drie maanden, zij het dat herhaalde schorsing niet is uitgesloten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa9bc6b6406c65317857d299b759f39b6d5638432a069c67932f30ae2cb03c86. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa9bc6b6406c65317857d299b759f39b6d5638432a069c67932f30ae2cb03c86, en de alinea staat in dat document op bytes 17987 tot 19198.