Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003
Alinea 269 Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AN7253.
6.17. Mijn in nrs. 5.31 en 5.32 neergelegde analyse van de Staat/Bonda-jurisprudentie, gecombineerd met een analyse van de in het middelonderdeel bestreden tweede helft van rov. 4.9 van het arrest in onze zaak Buma/Stemra vs. Kazaa, laat zien dat het hof, zonder schending van het recht, de vraag naar potentiële onrechtmatigheid (stappen (i) en (ii)) onder ogen heeft gezien. Aan een beoordeling van de voorshandse aannemelijkheid van voldoende ernst om een verbod uit te spreken (stappen (iii) en (iv)) is het hof niet toegekomen - en behoefde het zonder schending van het recht niet toe te komen - gegeven zijn (feitelijk), in kort geding gegeven oordeel (cursiveringen van mij, A-G):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3c433eeb41e6ff5db6a5e936a8b01e6e24a725c39000700beeaa8796abe4f68a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3c433eeb41e6ff5db6a5e936a8b01e6e24a725c39000700beeaa8796abe4f68a, en de alinea staat in dat document op bytes 107649 tot 108351.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3c433eeb41e6ff5db6a5e936a8b01e6e24a725c39000700beeaa8796abe4f68a | shasum -a 256