Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004
Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AF6988.
7. Een uiteenzetting van de feiten is met name vereist om het de rechter in de aangezochte staat mogelijk te maken zich een oordeel te vormen over de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Vgl. A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, p. 395. Daarnaast is een heldere en concrete uiteenzetting van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ook voor de opgeëiste persoon zelf van belang. Het stelt hem in staat een zogenaamd onschuldverweer in de zin van art. 26, derde lid, Uw te voeren. In de derde plaats vormt die omschrijving de basis voor de beschermende werking van de 'specialiteit' in de verzoekende staat. Vgl. J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht, 3e, p. 150 en N. Keijzer, Uitlevering, in: Handboek strafzaken § 91.5.6 (april 2002). Het belet in beginsel vervolging voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering werd gevraagd en toelaatbaar verklaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39e0875905d602810b30a71f6c01abd756c01f08229a7a1193ad35081c1a44c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39e0875905d602810b30a71f6c01abd756c01f08229a7a1193ad35081c1a44c6, en de alinea staat in dat document op bytes 11617 tot 12557.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/39e0875905d602810b30a71f6c01abd756c01f08229a7a1193ad35081c1a44c6 | shasum -a 256