Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004

Alinea 54 Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AF6988.

24. Blijft het echter bij deze onbegrijpelijkheid? Het komt mij voor dat we hier te maken hebben met een geval waarin de onbegrijpelijkheid van een rechterlijk oordeel zodanig is, dat deze de onjuistheid van een ongeëxpliciteerde, aan dat oordeel ten grondslag liggende rechtsopvatting, nadert. Met andere woorden en toegepast in deze zaak: achter de (on)begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank in het licht van de uiteengezette feiten ligt de rechtsvraag van de (on)juistheid van de aangelegde maatstaf (wat is het minimum inzake de uiteenzetting der feiten?). Hoe hoger dit minimum wordt gesteld, des te minder ruimte is er om het feitelijk oordeel van ongenoegzaamheid onbegrijpelijk te achten. Aan de motiveringsvraag ligt dus een rechtsvraag ten grondslag. Ik neig er daarom toe om in het oordeel van de rechtbank primair een verkeerde rechtsopvatting te lezen, en subsidiair haar oordeel onbegrijpelijk te achten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39e0875905d602810b30a71f6c01abd756c01f08229a7a1193ad35081c1a44c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39e0875905d602810b30a71f6c01abd756c01f08229a7a1193ad35081c1a44c6, en de alinea staat in dat document op bytes 28846 tot 29789.