Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004

Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AF6988.

De deelnemer moet wel van dat oogmerk weet hebben; vereist is niet wetenschap van concrete misdrijven (HR NJ 1998, 225, r.o. 5.4; zie ook Wedzinga in T&C Sr, 4e, aant. 10 op art. 140). Het met anderen gebruik maken van een telefoon om Opiumwetmisdrijven te begaan en mogelijk te maken is op te vatten als het begaan van het misdrijf van art. 140 Sr, aldus mijn ambtgenoot Machielse, naar wiens conclusie de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 2000, NJ 2000, 493 verwijst (r.o. 5.2). Naar mijn mening is het tolken tussen leveranciers en afnemers van verdovende middelen eveneens voldoende om toepasselijkheid van art. 140 Sr aan te nemen (conclusie inzake 02660/02 U van 4 maart 2003, LJN AF5428).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39e0875905d602810b30a71f6c01abd756c01f08229a7a1193ad35081c1a44c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39e0875905d602810b30a71f6c01abd756c01f08229a7a1193ad35081c1a44c6, en de alinea staat in dat document op bytes 32574 tot 33290.