Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Alinea 102 Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AF7523.

5.3. Bij de beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat rioolrecht kan worden geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van de gemeentelijke riolering en dat onder zodanig gebruik, op te vatten in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 229, lid 1, letter a, van de Gemeentewet (voor het jaar waarop deze zaak betrekking heeft artikel 277, lid 1, letter b, onder 1e) valt het genot dat de eigenaar (Hoge Raad 5 maart 1980, nr. 19 441, BNB 1980/103) en de gebruiker (Hoge Raad 22 juli 1983, nr. 22 051, BNB 1983/290) ontlenen aan de aanwezigheid van een afvoermogelijkheid naar de gemeentelijke riolering doordat die afvoermogelijkheid de gebruikswaarde van het perceel verhoogt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc82932e82eee7a48e13123b23fb65aacd686b7e7771ab98ed0af391aac56a8d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc82932e82eee7a48e13123b23fb65aacd686b7e7771ab98ed0af391aac56a8d, en de alinea staat in dat document op bytes 45875 tot 46604.