Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Alinea 95 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AF7863.

5.7 In de bijlage bij mijn conclusies in de bij u aanhangige zaken met rolnummers 37.651, 37.657 en 37.670 heb ik verslag gedaan van een onderzoek naar de Verdragskwalificatie van fictieve inkomsten in het algemeen en naar de mogelijkheden die art. 3, lid 2, OESO-Modelverdrag (verwijzing naar nationaal recht voor niet-gedefinieerde termen) biedt tot Verdragsposterieure kwalificatiebeïnvloeding door middel van internrechtelijke inkomensficties. In die bijlage en in mijn conclusie voor HR (eerste kamer) 27 oktober 2000, NJ 2001, 106, met noten Zwemmer en ARB, kom ik tot de conclusie dat kwalificatie van het litigieuze "voordeel" systematisch onder art. 18 (pensioenen) van het (oude) Verdrag met België zou moeten worden gebracht, maar dat dit afstuit op de woorden "betaald aan," en dat art. 15 (onzelfstandige arbeid) niet kan worden toegepast om twee redenen die elk op zichzelf die kwalificatie belemmeren:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d3b11b2f1c05071742c9da1b0057ed9b76b9b4145ac91749ccf26e87e5dc306. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d3b11b2f1c05071742c9da1b0057ed9b76b9b4145ac91749ccf26e87e5dc306, en de alinea staat in dat document op bytes 38410 tot 39342.