Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 augustus 2004

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 13 augustus 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 augustus 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AI0726.

4.5. Belanghebbende, op wie de bewijslast in deze rust, maakt gelet op de onder punt 2.1 vermelde facturen niet aannemelijk dat hij zijn aanvraag bij het energiebedrijf heeft ingediend binnen dertien weken na aanschaf van de voorzieningen, waarbij het hof "aanschaf' opvat in de zin zoals omschreven in punt 4.4. Tevens heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die wijzen op verschoonbaarheid voor het niet tijdig indienen van de aanvraag. Belanghebbende doet wel een beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende stelt dat er sprake is van een toezegging van de zijde van het energiebedrijf of van omstandigheden waaruit hij redelijkerwijs de indruk heeft kunnen ontlenen dat er sprake is van een bewuste standpuntbepaling, inhoudende dat de aanvraag ingediend dient te worden na het volledig aanbrengen van de voorzieningen en dat daarmee, naar het hof belanghebbende begrijpt, de aanvraag altijd tijdig zou zijn. Wat hiervan ook zij, de bewijslast voor de tijdigheid van de aanvraag - een en ander in de zin gelijk hiervóór overwogen - blijft rusten op belanghebbende. Aangezien belanghebbende hierin niet is geslaagd, treft zijn beroep geen doel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbd568a1b0695fa1c9f4b1a71faad2c039ce86db03729eefa543a539c5378759. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbd568a1b0695fa1c9f4b1a71faad2c039ce86db03729eefa543a539c5378759, en de alinea staat in dat document op bytes 9784 tot 10975.