Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Alinea 145 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AI0739.

5.30 Ik concludeer dat het derdelandenvoorbehoud ter zake van "directe investeringen" niet ziet op de litigieuze lening. De tweede categorie kapitaalbewegingen ten opzichte van derde landen die dan moet worden onderzocht is die van "het verrichten van financiële diensten." Deze categorie wekt enige verwarring, nu financiële diensten immers diensten zijn en men dus kan menen in het dienstenverkeer in plaats van het kapitaalverkeer te geraken. Art. 60 (oud; thans 50) EG-Verdrag bepaalt, kort gezegd, dat het dienstenverkeer pas aan de orde komt als de andere Verdragsvrijheden niet van toepassing zijn. Deze bepaling speelt echter voor wat betreft de afbakening tussen het dienstenverkeer en het kapitaalverkeer geen zichtbaar significante rol.(38) Het HvJ EG past de vrijheid van dienstenverkeer en die van kapitaalverkeer naast elkaar toe. U zie bijvoorbeeld de fiscale zaak Safir,(39) waarin het HvJ EG eerst de nationale Zweedse wetgeving toetst aan de bepalingen inzake het dienstenverkeer en vervolgens overweegt dat de verenigbaarheid met de bepalingen inzake het kapitaalverkeer niet meer hoeft te worden beoordeeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d, en de alinea staat in dat document op bytes 57532 tot 58675.