Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Alinea 146 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AI0739.

5.31 Door de advocaten-generaal bij het Hof is meermalen gepleit voor een criterium ter bepaling van de toepasselijkheid van en de verhouding tussen de twee vrijheden,(40) maar het HvJ EG heeft zo'n criterium niet gesteld. In het arrest Svensson en Gustavsson(41) toetste het Hof de nationale wetgeving aan zowel de bepalingen over dienstverkeer als de bepalingen over kapitaalverkeer. In dit verband is ook art. 61 (oud; thans art. 51), lid 2, EG-verdrag van belang. Deze bepaling houdt in dat de bank- en verzekeringsdiensten waarmee kapitaalverplaatsingen gepaard gaan, in overeenstemming met de liberalisering van het kapitaalverkeer moeten worden geliberaliseerd. Volgens het HvJ EG volgt hieruit dat de verdragsbepalingen betreffende de diensten slechts dan niet van toepassing zijn op beperkingen van bankdiensten, als het om een beperking van kapitaalverkeer gaat die verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.(42)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d, en de alinea staat in dat document op bytes 58695 tot 59630.