Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Alinea 149 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AI0739.

5.33 Hoewel ik meen dat het voorbehoud van art. 73C (oud; thans art. 57) EG-verdrag niet ziet op de litigieuze schuldigerkenning omdat geen sprake is van "dienstverlening" in de zin van die bepaling, acht ik zulks niet boven elke twijfel verheven. In beginsel zou dan een prejudiciële vraag daaromtrent aan het HvJ EG voorgelegd moeten worden. Mijns inziens kan zulks echter achterwege blijven. Ook indien het voorbehoud wél van toepassing zou zijn en het kapitaalverkeer met derde landen op dit punt dus niet geliberaliseerd zou zijn, zodat het EG-recht in casu algehele weigering van renteaftrek niet zou verbieden, meen ik dat de renteaftrek niet verder beperkt kan worden dan tot één die bewerkstelligt dat de belastingdruk per saldo in Nederland en de Antillen samen maximaal 35% beloopt. Een verder gaande beperking is mijns inziens ook naar ander dan EG-recht onevenredig. U zie mijn beoordeling van het derde cassatiemiddel hieronder.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d, en de alinea staat in dat document op bytes 61462 tot 62421.